Opleiding: Initiator
U7: Actieve start
Spelend bewegen en ontdekken
Tijdens de Actieve start bewegen kinderen op een kwalitatieve, leuke en gevarieerde manier in een veilige en aangename omgeving. Ze kunnen op ontdekking gaan, openbloeien, zelfvertrouwen ontwikkelen, plezier beleven en leren. Op die manier worden kinderen voorbereid en warm gemaakt om korfbal te blijven beoefenen én wordt de basis gelegd voor levenslang sporten. Leuke en gevarieerde trainingsinhouden rond verschillende bewegingsvaardigheden bieden bewegingskansen die noodzakelijk zijn om de brede motorische ontwikkeling te stimuleren.
Biedt 5- tot 7-jarige kinderen een gevarieerd bewegingsprogramma aan, waarin de focus op de algemene ontwikkeling van vaardigheden ligt en een sporttak niet meteen herkenbaar is.
Wij onderstrepen het belang van een brede motorische ontwikkeling. Plezierbeleving staat hierbij centraal.
Een goede motorische ontwikkeling zorgt ervoor dat kinderen ook op latere leeftijd actief blijven: wie goed kan zwaaien, springen, gooien of trappen, kan later ook goed korfballen
Meer info: Multimove Sport Vlaanderen
Fysieke kenmerken
-
Kracht: Een korfballer in deze fase ontwikkelt vanzelf meer kracht. We trainen kracht niet specifiek, maar laten het terugkomen in spelvormen waarbij het eigen lichaamsgewicht wordt gebruikt en grote spiergroepen actief zijn — bijvoorbeeld bij Multimove-oefeningen zoals heffen en dragen of trekken en duwen. Met deze spelvormen versterken we de algemene basiskracht van de atleet. Specifieke krachttraining is nog niet aan de orde.
-
Lenigheid:kinderen van 6 tot 7 jaar (of jonger) zijn van nature erg lenig, omdat hun botten nog niet volgroeid zijn en de spieren nog in ontwikkeling. We onderhouden hun lenigheid door natuurlijke bewegingen in te bouwen in spelvormen, bijvoorbeeld zwaaien bij Multimove. Zo voorkomen we dat hun lenigheid afneemt, zonder dat we specifieke lenigheidstraining aanbieden.
-
Snelheid: Snelheid vormt in deze fase een cruciaal kenmerk — dit is een gouden periode voor de ontwikkeling ervan. Omdat het zenuwstelsel al grotendeels ontwikkeld is, kunnen atleten tot 8 jaar hun snelheidspotentieel sterk vergroten.
We trainen verschillende snelheidsvormen zoals:
-
Bewegingssnelheid (frequentie)
-
Reactiesnelheid
-
Startsnelheid
-
Wendbaarheid (vooruit, zijwaarts en in meerdere richtingen)
We beperken de inspanningen nog steeds tot maximaal 5 seconden. We kunnen het snelheidsgevoel ook ontwikkelen met vb. tweebenige sprongreeksen (bijv. met een speedladder), al zal daar niet specifiek op getraind worden. Snelheidsuithouding trainen we in deze fase nog niet.
-
-
Uithouding: We plannen geen extra aerobe of anaerobe trainingen, omdat kinderen in deze fase nog weinig trainingseffect behalen. Ze zoeken spontaan korte aerobe en anaerobe activiteiten op, bijvoorbeeld spelletjes met tussensprints zoals tikkertje. Laat activiteiten niet langer duren dan ongeveer 8 minuten.
-
Coördinatie (en evenwicht) is de 2de belangrijke pijler in deze leeftijdscategorie: De motoriek van de atleet ontwikkelt zich sterk en het evenwichtsgevoel wordt stabieler. We gebruiken spelvormen die verschillende coördinatieve vaardigheden stimuleren, zoals oog-handcoördinatie, oog-voetcoördinatie, evenwicht, ritme en lichaamsoriëntatie. Multimove, spring-, werp- en loopvormen, balspelen en gymnastische oefeningen vormen de kern van de training.
Mentale kenmerken
Deze leeftijdscategorie is voornamelijk gericht op plezier en succesbeleving.
Kinderen aanmoedigen en stimuleren om hun emoties en gedachten te benoemen, zodat ze leren herkennen wat ze voelen en ervaren tijdens het sporten. Door regelmatig vragen te stellen zoals "Waarom ben je boos?" of "Wat vond je moeilijk of leuk?", help je hen hun gevoelens onder woorden te brengen, vergroot je hun zelfvertrouwen en creëer je een veilige leeromgeving waarin ze zich gehoord en begrepen voelen. Dit draagt bij aan hun sociaal-emotionele ontwikkeling en verhoogt hun betrokkenheid en plezier tijdens de training.
Kinderen hebben nog een korte aandachtsboog (korte oefen-en spelvormen). Kinderen leren wanneer ze moeten focussen (aandacht vragen tijdens korte instructiemomenten) en wanneer ze mogen ontspannen. De aandachtsboog langzaam verlengen.