Opleiding: Initiator

U11: Basisvorming

Bewegen om te leren

U11: Bewegen en leren in spelvorm

Bij U11 blijft het ontwikkelen van de basismotorische vaardigheden zeer belangrijk. Op deze leeftijd kan er het snelst vooruitgang geboekt worden in coördinatie, snelheid en lenigheid. Tegelijk moet er ook veel aandacht besteed worden aan het ontwikkelen van de korfbalspecifieke vaardigheden zoals het schot, verdedigen, de doorloper en passing. De concentratieboog is nog steeds kort, waardoor variatie noodzakelijk blijft.

Rond 9–10 jaar ontstaat er bovendien competitiedrang – bij jongens vaak sterker uitgesproken dan bij meisjes. Hierdoor kan het nuttig zijn opdrachten in spel- of wedstrijdvormen aan te bieden, omdat deze kinderen beter gefocust houden.

Dit is een cruciale fase voor de vorming van een positief zelfbeeld. Hou hier als trainer rekening mee: geef constructieve feedback en zorg dat iedereen succeservaringen opdoet. Zo verklein je de kans op drop-out. Kinderen beginnen zich in deze fase meer met elkaar te vergelijken, waardoor zij hun eigen niveau automatisch beoordelen.

Bij U11 start ook het aanleren van eenvoudige tactiek. Denk hierbij aan:

  • Ruimtelijk inzicht (vrijlopen),

  • Het lezen van spelsituaties,

  • Samenwerken met ploeggenoten.

  • Het zetten van een steun en rebound

Fysieke kenmerken:

In deze fase blijven we de algemene fysieke capaciteiten en basisvaardigheden ontwikkelen. We zorgen voor een brede en veelzijdige bewegingservaring, maar gaan uitgebreider aan het werk met het opbouwen van sportspecifieke vaardigheden.

De trainingen combineren plezier met leren. De korfballer leert wat een training inhoudt en ontdekt de verschillende onderdelen ervan.

  • Kracht: Tieners worden vanzelf sterker door een verbeterde zenuwcoördinatie en een lichte toename van spiermassa. We kunnen de spierkracht al verhogen met oefeningen met het eigen lichaamsgewicht en lichte externe gewichten (zoals medicineballen), op voorwaarde dat de trainer de uitvoering nauw opvolgt.

    We besteden extra aandacht aan het ontwikkelen van de core (buik-, rug-, heup- en bilspieren). Dit resulteert in een verbeterde rekrutering van spiervezels en coördinatie van spieren (neurologische aanpassingen). Let ook hier op een goede uitvoering van de oefeningen. 

    De trainer houdt altijd rekening met de belastbaarheid en vermijdt te zware oefeningen.

  • Lenigheid: Rond 10 jaar vermindert de lenigheid sterk. Daarom trainen we actief op lenigheid en mobiliteit.

    We richten ons op actieve lenigheidsvormen. We richten ons vooral op de enkels, schouders en heupen, want die gewrichten verliezen het snelst hun bewegingsvrijheid tijdens de groei.

  • Snelheid: In deze fase hebben de kinderen het grootste deel van zijn snelheidspotentieel al ontwikkeld, maar we blijven deze eigenschap onderhouden en verfijnen.

    We trainen:

    • Reactiesnelheid

    • Startsnelheid

    • Wendbaarheid

    • Bewegingsfrequentie

    • Maximale snelheid

    We voegen laag-intensieve sprongoefeningen toe — zoals sprongen in verschillende richtingen of met een draai — en laten tweebenige sprongen in serie af en toe terugkomen.We vermijden nog steeds snelheidsuithouding.

  • Uithouding: Hart en longen blijven zich ontwikkelen, waardoor het lichaam steeds beter zuurstof kan transporteren.

    We voeren nu regelmatig aerobe duurtrainingen (lage intensiteit) in, maar de trainingseffecten blijven beperkt. De productie van rode bloedcellen stijgt, waardoor de zuurstofvoorziening efficiënter verloopt.

    Duurtrainingen kunnen tot ongeveer 20 minuten duren.

  • Coördinatie: Deze fase is een gouden periode voor de ontwikkeling van coördinatie en techniek. We blijven werken aan algemene motoriek via spelvormen en oefenvormen, maar leggen nu meer nadruk op het aanleren van basistechnieken (zie ook de technische leerlijn).

Mentale kenmerken

Naast de mentale kenmerken die reeds in de U7 en U9 aanwezig waren: